Koop nu het E-bookstartpakket en verdien nu makkelijk 30 tot 80 euro's per dag met het verwerken vanE-mails met thuiswerk.
Verdien € 30 per e-mail die je verwerkt. Met dit systeem kan je makkelijk €30 tot €180 per dag verdienen.
Verstuur de informatie waar mensen om vragen en je wordt uitbetaald via PayPal.
Via dit betaalsysteem kun je op elk gewenst moment online betalingen ontvangen.
Wil je echt makkelijk geld verdienen? Laat deze kans je dan niet voorbij gaan.
E-mail Thuiswerk is de manier om snel geld bij te verdienen.
De trend van het nieuwe millennium is werken van thuis uit, al dan niet zelfstandig.Steeds meer mensen zouden hun werkzaamheden vanuit hun eigen thuis willen verrichten. Onlangs is uit onderzoek gebleken dat bij aankoop van een nieuwbouwwoning, 70% van alle mensen voor dit doel een extra ruimte zouden willen hebben en hiervoor ook extra willen betalen. Met het unieke marketingplan dat wij u aanbieden heeft U de mogelijkheid om Part-time, naast Uw huidige job, van thuis uit zelfstandige te worden door een business op te bouwen, met alleen maar voordelen. U kunt zelf de hoogte van Uw (extra) inkomen cq bijverdienste (n) beïnvloeden. Dit is mogelijk door vandaag nog het E-book startpakket voor slechts € 9.95 te kopen.
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
De Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong, Wajong[1]), is een sociale voorziening voor iedereen die ingezetene van Nederland is. De verzekering keert uit aan een verzekerde indien deze voor zijn zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt is geworden, en dat op zijn achttiende verjaardag nog steeds is. De verzekering geldt ook voor mensen die tussen hun achttiende en dertigste verjaardag arbeidsongeschikt zijn geworden tijdens een studie. De duur van de studie moet minimaal zes maanden zijn.
Wie jonggehandicapt is en om medische of arbeidskundige redenen geen perspectief heeft op een gewone baan of bijberoep, ook niet met ondersteuning, heeft recht op een volledige Wajong-uitkering. Dit is 75% van het wettelijk minimumloon.
Voor oude gevallen (van voor 2010) geldt nog de oude regeling.
Uitkeringsbasis
De basis voor de uitkering is het minimumloon. De hoogte van de uitkering wordt bepaald op basis van het percentage van arbeidsongeschiktheid:
minder dan 25% arbeidsongeschikt
tussen 25% en 50% arbeidsongeschikt
tussen 50% en 80% arbeidsongeschikt
meer dan 80% arbeidsongeschikt
Mensen die minder dan 25% arbeidsongeschikt zijn kunnen geen beroep doen op de wajong-uitkering. Mensen die tussen 25% en 80% arbeidsongeschikt zijn kunnen een beroep doen op een deel van de wajong-uitkering. Mensen die meer dan 80% arbeidsongeschikt zijn hebben recht op de volledige wajong-uitkering. De volledige wajong-uitkering bedraagt 75% van het minimumloon. Per 1 juli2007 werd deze uitkering verhoogd van 70% van het minimumloon. Het inkomen van een eventuele partner en vermogen zijn niet van invloed op de hoogte van de uitkering.
Om voor een verhoogde uitkering (volledig minimumloon) in aanmerking te komen moeten mensen volledig arbeidsongeschikt en tevens hulpbehoevend of/en niet zelfstandig zijn.
Werk
Uitkeringsgerechtigden mogen bijverdienen naast de wajong-uitkering. De grens van het bijverdienen wordt bepaald door de hoogte van de wajong-uitkering. Bij volledige uitkering mag maximaal 20% van het minimumloon bijverdiend worden.
Terwijl men het recht op een uitkering behoudt, kunnen wajong-gerechtigden zelf het initiatief nemen om een baan te vinden. Er bestaan speciale regelingen voor deze groep wajongers. Bij een terugval qua arbeidsgeschiktheid krijgt men de wajong-uitkering terug. Werkgevers hoeven over de eerste vijf jaar geen ziektewetkosten te betalen als een wajonger in dienst wordt genomen. Om de drempel voor een daadwerkelijke indiensttreding te verlagen kan de werkgever een wajonger eerst een zogenaamde 'proefplaatsing' aanbieden. Bij een dergelijke proefplaatsing hoeft de werkgever maximaal 3 maanden geen loon te betalen aan de werknemer, dit wordt uitbetaald door het UWV. Wel is de werkgever daarna verplicht om de Wajonger een contract voor minimaal 6 maanden aan te bieden. Indien de wajonger in verhouding tot andere werknemers minder presteert, is er ook nog loondispensatie mogelijk. Voor wajongers is er ook een speciale belastingaftrek.
De wajong is tevens bedoeld voor mensen die hulp nodig hebben bij het vinden en/of behouden van een werkplek. Dikwijls bemoeilijkt de wajong-regeling het vinden van een betaalde baan, aangezien de wajong-uitkering vaak hoger is dan wat de wajonger zou verdienen in een reguliere dienstbetrekking. Daarom is re-integratie een blijvend aandachtspunt.[2]
Uitkering
In de praktijk krijgen 98% van de jonggehandicapten de volledige uitkering, terwijl slechts 2% een gedeeltelijke uitkering ontvangen. In een aantal gevallen wordt het maatmanloon aangepast tot 1,5 keer van het minimumloon als de jonggehandicapten een hbo- of een wo-diploma heeft behaald.[3]
Volgens gegevens van het CBS is het aantal wajongers gestegen van 113.530 in januari 1998 naar 195.520 per november 2010.[4] Van alle wajongers is 55% man en 45% vrouw. De instroom in de Wajong-regeling bedroeg in 2010 ongeveer 16.500 personen, dit was een verviervoudiging van de instroom in de voorganger van de Wajong (de AAW, tot 1998). De zeer sterke stijging van de instroom sinds 2004 hangt volgens de onderzoekers van het Centraal Planbureau zeer nauw samen met de decentralisering van de bijstand naar gemeenten[5]. Onder de huidige opzet hebben de gemeenten een financiële prikkel om zoveel mogelijk te besparen op de bijstand. Een eventueel overschot op het bijstandbudget mogen zij houden en gebruiken voor andere doeleinden. Het succes van de daling van het aantal bijstandsuitkeringen is voor een substantieel te verklaren door de overheveling naar de Wajong[5].
Geschiedenis
De Wet van 24 april 1997, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten) was de opvolger van de AAW en trad op 1 januari 1998 in werking. De Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning wijzigde deze wet, inclusief de citeertitel; deze werd Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. De term Wet Wajong wordt (enigszins verw
arrend) zowel gebruikt voor deze wijzigingswet als voor de nieuwe versie.
↑ De term Wet Wajong wordt gebruikt voor de in 2010 in werking getreden versie, bijvoorbeeld in de titel Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wet Wajong, ter onderscheiding van de oude versie. Een uitkeringsgerechtigde wordt Wajonger genoemd.
Informatie over Wajong-uitkeringen, van organisatie Welder: “onafhankelijk kenniscentrum” met als “missie om burgers met een gezondheidsprobleem (etc.) te ondersteunen (etc.)”. Geraadpleegd 28 juni 2010.
"WIK" verwijst door naar deze pagina en kan ook betrekking hebben op werkinstructiekaarten
De Nederlandse Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) biedt kunstenaars de mogelijkheid om binnen een periode van tien jaar maximaal vier jaar een aanvulling op hun inkomen te krijgen, als zij met hun artistieke werk niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
De WWIK biedt kunstenaars een basisinkomen dat op 70% van het bijstandsniveau ligt. Kunstenaars mogen echter wel, in tegenstelling tot de bijstand, tot een bepaald bedrag (125% van het bijstandsniveau) bijverdienen. Ook wordt er elk jaar gekeken of de kunstenaar wel voldoende initiatieven heeft ondernomen om zijn of haar werk te promoten.
Aanvraagprocedure
Rechtmatigheidsonderzoek
Een aanvraag voor een WWIK-uitkering kan worden gedaan bij de Sociale Dienst van een van de twintig centrumgemeenten die de WWIK uitvoeren. De Sociale Dienst onderzoekt of de aanvrager recht heeft op de WWIK. In het rechtmatigheidsonderzoek wordt het inkomen of vermogen van de aanvrager gecontroleerd.
Beroepsmatigheidsadvies
De stichting Cultuur-Ondernemen in Amsterdam onderzoekt vervolgens of de aanvrager 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag beroepsmatig als kunstenaar heeft gewerkt. Cultuur-Ondernemen is de nieuwe naam van Kunstenaars&CO. Kunstenaars&CO is door de minister aangewezen als instelling die gemeenten adviseert omtrent het beroepsmatig kunstenaarschap van personen die een WWIK-uitkering aanvragen.
Een aanvrager kan op twee manieren in de WWIK komen:
Als zij-instromer. Een zij-instromer is een kunstenaar die al beroepsmatig werkt of iemand die langer dan 12 maanden geleden is afgestudeerd aan een kunstacademie. In dit geval moet de aanvrager aan de inkomenseis voldoen én beroepsmatig zijn. De inkomenseis houdt in dat de aanvrager aan moet tonen dat hij in de 12 maanden voorafgaand aan de WWIK-aanvraag € 1.200 exclusief btw en directe beroepskosten heeft verdiend uit kunst.
Als academieverlater. Een academieverlater is iemand die binnen één jaar na het afstuderen aan een kunstacademie de WWIK aanvraagt. Als de aanvrager beschikt over een voor de WWIK erkend diploma dan hoeft niet te worden voldaan aan de inkomenseis.
Als voldaan is aan de eisen brengt de Stichting Cultuur-Ondernemen een beroepsmatigheidsadvies uit aan de gemeente.
Progressie-eis
Elk jaar moet de kunstenaar meer gaan verdienen om het recht op uitkering te behouden. Dit noemt men de zogenaamde progressie-eis. Voor het jaar 2006 was deze progressie-eis bijvoorbeeld:
€ 1200,- bij aanvang WWIK (entree-eis)
€ 2800,- na 12 maanden WWIK (de 1e trede)
€ 4400,- na 24 maanden WWIK (de 2e trede)
€ 6000,- na 36 maanden WWIK (de 3e trede)
Beëindiging
Aanhangig is een wetsvoorstel om de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars per 1 januari 2012 af te schaffen. Daarmee zou een einde komen aan de uitzonderingspositie van kunstenaars in de sociale zekerheid. Het gaat hier om voorgenomen beleid. De inwerkingtreding is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en de Eerste Kamer en publicatie in het Staatsblad. De streefdatum voor inwerkingtreding is 1 januari 2012. De Ministerraad is op 17 december 2010 akkoord gegaan met het wetsvoorstel tot ‘Intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars’. Dit wetsvoorstel is op 18 maart 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Volgens het kabinet past het niet dat voor kunstenaars andere regels gelden dan voor de overige ondernemers of werknemers. Ook vindt het kabinet dat de sociale zekerheid alleen bestemd is voor mensen die echt niet kunnen werken. Kunstenaars die na 1 januari 2012 niet genoeg inkomsten kunnen opbouwen met hun werk, worden volgens het voorstel net als anderen geacht actief naar ander werk te zoeken.
In 2010 maakten 3500 kunstenaars en creatieven gebruik van de inkomensregeling, in 2011 zijn dat er naar verwachting ruim 4000.
Overheidsbezuiniging
De intrekking van de WWIK brengt financiële effecten met zich, omdat de aan de regeling verbonden uitkeringslasten en uitvoeringskosten komen te vervallen. In 2011 gaat het hierbij om € 26 miljoen aan uitkeringslasten en € 5 miljoen aan uitvoeringskosten. Van laatstgenoemde kosten gaat € 3 miljoen naar de 20 centrumgemeenten die de WWIK uitvoeren en € 2 miljoen naar de Stichting Cultuur-Ondernemen voor de uitvoering van de beroepsmatigheidsonderzoeken. Met het vervallen van de WWIK komen dus € 31 miljoen aan jaarlijkse uitgaven ten laste van de SZW-begroting te vervallen.
Voorgaande regelingen
Kunstschilder aan het werk
BKR
De Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) was van 1956 tot 1987 een regeling in Nederland, waardoor kunstenaars in ruil voor hun diensten of kunstwerken een inkomen konden krijgen. De uitvoering van de BKR was in handen van het gemeentebestuur van de woonplaats van de kunstenaar. De gemeenten kochten de kunstwerken aan waarmee de uitkering van de kunstenaars bekostigd kon worden.
De kunstwerken werden in de eerste jaren van de regeling door de gemeenten vooral verspreid onder (semi)overheidsinstellingen. Vanaf 1972 werd op initiatief van de BBK de verspreiding van kunstwerken uitgebreid met de mogelijkheid om deze ook onder de bevolking te laten rouleren. Hiervoor werden diverse centra voor kunstuitleen opgezet. Doordat kunstwerken gemeentelijk bezit waren, konden de uitleentarieven voor particulieren zeer laag gehouden worden. Op grond van de regeling mochten de kunstwerken niet verkocht worden.
Er maakten steeds meer kunstenaars gebruik van de BKR en het Rijk nam steeds meer kunstwerken over, maar uiteindelijk groeide de hoeveelheid kunstwerken iedereen boven het hoofd en werd de BKR te duur en onuitvoerbaar. Per 1 januari 1987 was de regeling officieus opgeheven en pas in 1992 officieel ingetrokken. Kunstenaars konden in het vervolg terugvallen op bijvoorbeeld de Algemene bijstandswet.
Van de 220.000 kunstwerken die het rijk in huis had dankzij de regeling, werd er ongeveer 120.000 geschonken aan instellingen die de werken vaak al in huis hadden voor wandversiering. De resterende 100.000 werken kwamen terecht bij de hiervoor in het leven geroepen Stichting Kunstwegen, die de helft schonk aan non-profitinstellingen, 25.000 werden teruggegeven aan de kunstenaars en de laatste 25.000 werden aan de Stichting Beeldende Kunst Amsterdam gegeven voor kunstuitleen.
WIK
In de praktijk bleek dat gemeenten kunstenaars, na het wegvallen van de BKR, een uitzonderingspositie toekenden; Ze werden ontheven van de sollicitatieplicht en van het zoeken naar passende arbeid. Omdat er te weinig uitstroom was van uitkeringsgerechtigden en het gedoogbeleid geen grondslag in de wet had, werd er door de regering gezocht naar een andere oplossing.
Na vijf jaar voorbereiding, werd in 1999 werd de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) ingevoerd. Met deze wet konden kunstenaars met een laag inkomen voor maximaal vier jaar inkomenssteun krijgen op 70 procent van het bijstandsniveau. In die vier jaar kreeg de kunstenaar de kans een eigen rendabele beroepspraktijk op te bouwen, zodat geen gebruik meer van de bijstand hoefde te worden gemaakt.
Na evaluatie van de WIK, waaruit bleek dat de wet lastig uitvoerbaar was en kunstenaars te weinig aanzette tot het opbouwen van een zelfstandige beroepspraktijk, werd per 1 januari 2005 Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) ingevoerd. De WWIK lijkt in vele opzichten op de WIK, maar gaat meer uit van de eigen verantwoordelijkheid van kunstenaars om zelf in het levensonderhoud te voorzien.